Diensten
Advocaat Ward Van Loo
helpt u graag verder met:
• Familierecht
• Invorderingen - Incassodiensten
• Arbeidsrecht
• Letselschade
• Handelsrecht
• ICT Recht
• Bemiddeling
VERDERZETTING VAN EEN VERZOEK TOT HERZIENING ONDER DE VORM VAN EEN ANNULATIEBEROEP
VOOR:
met als referentienummer
Hebbende als raadsman
Alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan voor de huidige procedure;
VERZOEKENDE PARTIJ,
TEGEN:
De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, Leuvenseweg 1 , 1000 Brussel ;
VERWEERDER
Aangezien
Bij beslissing van de dienst vreemdelingenzaken van …., aan verzoekster betekend op ….., werd deze vestiging geweigerd en werd aan verzoekster het bevel gegeven om het land te verlaten.
Tegen deze beslissing diende verzoekster een verzoek tot herziening in op ……
Bij brief van ………….7 wordt de raadsman van verzoekster gewezen op de toepassing van artikel 230 §1 van de wet van 15 september 2006.
Bij deze vraagt verzoekster dan ook om de verderzetting van het verzoek tot herziening ingediend op …………………
Verzoekster kiest voor de Nederlandstalige procedure en wenst desgevallend gehoord te worden middels een tolk die de …………… taal machtig is;
Aan de Heer Eerste Voorzitter, Heren en Dames Voorzitters en Raadsleden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen,
Geeft verzoekster te kennen;
Mbt de Ontvankelijkheid
De brief waarin de toepassing gevraagd wordt van artikel 230 §1 van de wet van 15 september 2006 werd aan de raadsman van verzoekster ter kennis gegeven op ……………, wat maakt dat onderhavig verzoekschrift binnen de termijn van 30 dagen werd ingediend.
Mbt. de Feiten
Mbt. de Middelen
EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 7.1 b van de Richtlijn 2004/38 van de Raad van de Europese Unie.
Artikel 1 van de oude Richtlijn 90/364 van de Raad van de Europese Unie stelde:
“1. De Lid-Staten kennen het verblijfsrecht toe aan onderdanen van de Lid-Staten die dit recht niet bezitten op grond van andere bepalingen van het Gemeenschapsrecht alsmede aan hun familieleden, als omschreven in lid 2, mits zij voor zichzelf en hun familieleden een ziektekostenverzekering hebben die alle risico\'s in het gastland dekt en over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komen”.
De rechtspraak van het Hof van Justitie gaf een bindende interpretatie aan dit artikel in het Arrest van 19 oktober 2004 in de zaak C‑200/02, Kunqian Catherine Zhu en Man Lavette Chen/Secretary of State for the Home Department.
Het Arrest van het Europees Hof van Justitie besliste dat de ouder van een minderjarige EU-onderdaan beschouwd moet worden als gezinslid in de zin van het de Richtlijn:
“45
Indien daarentegen de ouder, onderdaan van een lidstaat of een derde staat, die daadwerkelijk zorgt voor een kind waaraan artikel 18 EG en richtlijn 90/364 een verblijfsrecht toekennen, niet werd toegestaan met dit kind in de lidstaat van ontvangst te verblijven, zou zulks het verblijfsrecht van het kind ieder nuttig effect ontnemen. Het is immers duidelijk dat het genot van het verblijfsrecht door een kind van jonge leeftijd noodzakelijkerwijs impliceert dat dit kind het recht heeft om te worden begeleid door de persoon die er daadwerkelijk voor zorgt, en dientengevolge dat deze persoon gedurende dat verblijf bij het kind in de lidstaat van ontvangst kan wonen (zie mutatis mutandis met betrekking tot artikel 12 van verordening nr. 1612/68, arrest Baumbast en R, reeds aangehaald, punten 71-75).
46
Om deze enkele reden moet worden geantwoord dat wanneer, zoals in het hoofdgeding, artikel 18 EG en richtlijn 90/364 een recht om voor onbepaalde tijd op het grondgebied van de ontvangende lidstaat te verblijven verlenen aan de minderjarige van jonge leeftijd die onderdaan is van een andere lidstaat, deze zelfde bepalingen de ouder die daadwerkelijk voor deze onderdaan zorgt, toestaan om met deze laatste in de lidstaat van ontvangst te verblijven”.
Het Hof erkende dat indien de ouder (burger van de Unie of onderdaan van een derde staat) die daadwerkelijk zorgt voor een kind aan wie artikel 18 van het EG‑Verdrag en Richtlijn 90/364 een verblijfsrecht toekennen, niet werd toegestaan met dit kind in de lidstaat van ontvangst te verblijven, zulks het verblijfsrecht van het kind ieder nuttig effect zou ontnemen, en leidde daaruit af dat het genot van het verblijfsrecht door een kind van jonge leeftijd noodzakelijkerwijs impliceert dat dit kind het recht heeft om te worden begeleid door de persoon die er daadwerkelijk voor zorgt (zie ook het derde verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van de Richtlijnen 93/96, 90/364, 90/365 betreffende het verblijfsrecht van studenten, en economisch niet-actieve en gepensioneerde burgers van de Unie, punt 2, Brussel, 5 april 2006, KOM (2006) 156).
Dat betekent dat voor de ouder van een verblijfsgerechtigde jonge EU burger, het niet vereist is dat deze ouder ten laste zou moeten zijn van de minderjarige, als hij maar aan de voorwaarde voldoet dat hij daadwerkelijk voor deze minderjarige zorgt.
Het Hof erkende ook dat Richtlijn 90/364 niet het minste vereiste stelt met betrekking tot de herkomst van de toereikende bestaansmiddelen en verwierp de tegenwerping dat de voorwaarde met betrekking tot toereikende bestaansmiddelen inhoudt dat de betrokkene zelf over dergelijke bestaansmiddelen moet beschikken zonder zich daartoe te kunnen beroepen op de bestaansmiddelen van een familielid dat hem begeleidt.
Artikel 7.1 b van de nieuwe Richtlijn 2004/38 vervangt artikel 1 van de oude Richtlijn 90/364, en kent in dezelfde bewoordingen een verblijfsrecht toe aan een EU burger en zijn gezinsleden:
“indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt”
Artikel 40 § 6 van de Wet van 15 december 19880 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, stelt:
“Met de E.G.-vreemdeling worden eveneens gelijkgesteld, de echtgenoot van een Belg die zich met hem vestigt of komt vestigen, alsook hun bloedverwanten in de nederdalende lijn beneden 21 jaar of die te hunnen laste zijn, hun bloedverwanten in de opgaande lijn die te hunnen laste zijn, en de echtgenoot van die bloedverwanten in de nederdalende en in de opgaande lijn, die zich met hen vestigen of komen vestigen”.
De ouders van een Belgisch kind worden dus gelijkgesteld met gezinsleden van een burger van de EU.
Artikel 40 § 1 stelt dat de regels betreffende het verblijf van een burger van de EU gelden “Onverminderd de bepalingen vervat in de verordeningen van de Raad en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de meer voordelige bepalingen waarop de E.G-vreemdeling zou kunnen aanspraak maken”.
De meer voordelige bepaling van artikel 7.1 b, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie zijn dan ook op het geval van verzoekster van toepassing.
De beslissing die aan verzoekster, die de ouder is van een minderjarige burger van de EU die over een ziektekostenverzekering beschikt, en over een maandelijks onderhoudsgeld van een familielid, een verblijfsrecht weigert om de reden dat deze niet ten laste is van de minderjarige, schendt dan ook artikel 7.1 b van de Richtlijn 2004/38 zoals dit geïnterpreteerd werd door het Hof van Justitie.
De rechtspraak oordeelde eveneens dat de eventuele bewuste keuze om voor een bepaalde nationaliteit te kiezen in functie van een mogelijk verblijfsrecht, niet betekent dat sprake zou zijn van wetsontduiking (zie o.a. het arrest Chen van het Europese Hof van Justitie van 19 oktober 2004 en het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 6 oktober 2006).
TWEEDE MIDDEL: Schending van artikel 45 § 4 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 betreffende de uitvoering van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Artikel 45 § 4 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 stelt:
“ § 4. Wanneer de vestiging overeenkomstig § 3 geweigerd wordt door de Minister of zijn gemachtigde voor het einde van de vijfde maand na de aanvraag tot vestiging, maakt de E.G.-vreemdeling geen voorwerp uit van een bevel om het grondgebied te verlaten en blijft hij in het bezit van zijn attest van immatriculatie.
De E.G.-vreemdeling wordt terzelfdertijd uitgenodigd om alsnog de in § 1, derde lid, bedoelde documenten over te maken voor de afloop van de geldigheidsduur van zijn attest van immatriculatie.
Indien hij deze overmaakt in de loop van de vijfde maand na de aanvraag wordt het attest van immatriculatie door het gemeentebestuur verlengd voor een termijn van een maand.”
De bestreden beslissing werd genomen op …………;, terwijl de aanvraag tot vestiging werd ingediend op …………., dus binnen de ………maanden na de opmaak van de aanvraag tot vestiging conform bijlage 19,m.n. twee dagen later..
Als er een weigeringsbelissing genomen had kunnen worden, mocht deze dus niet voorzien zijn van een bevel om het grondgebied te verlaten.
De bestreden beslissing schendt dus artikel 45 § 4 van genoemd Koninklijk Besluit.
DERDE MIDDEL: Schending van artikel 61 § 2 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 betreffende de uitvoering van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Artikel 61 § 2 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981 stelt:
“ § 2. De vreemdeling moet zich ten vroegste een maand na de aanvraag tot vestiging en ten laatste voor de afloop van de geldigheidsduur van zijn attest van immatriculatie bij het gemeentebestuur aanbieden ten einde zich de beslissing aangaande de aanvraag tot vestiging te laten betekenen”
De bestreden beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten, dateert van …………, terwijl verzoekster in principe nog tot ………. de tijd had om de nodige stukken voor te leggen.
Gezien uit de bestreden beslissing blijkt dat aan verzoekster helemaal de kans niet is gegeven, om nog aanvullende stukken voor te leggen binnen de termijn van …..maanden, schendt deze beslissing artikel 61 § 2 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1981.
VIERDE MIDDEL Schending van artikel 63, derde lid, van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van artikel 30.3 van de Richtlijn 2004/38 van de Raad van de Europese Unie.
Artikel 63 van de Wet van 15 december 1980 stelt, in het derde lid:
“De kennisgeving van de beslissingen voorzien in de artikelen 8, 11, 16, 22, 24, 25, 30, 46, 52, 54, 55, 57, 58, 61, (63.3, § 3, tweede lid,) 67 en 73 vermeldt de door de wet voorziene rechtsmiddelen en de termijn binnen welke zij kunnen ingesteld worden”
Artikel 30.3 van de Richtlijn 2004/38 voorziet in een gelijkaardige bepaling.
De kennisgeving van de bestreden beslissing vermeldt de mogelijkheid niet dat een verzoekschrift tot vernietiging tegen deze beslissing ingediend kan worden bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en vermeldt evenmin de termijn waarbinnen dit kan gebeuren.
Om die reden schendt de bestreden beslissing artikel 63, derde lid, van de Wet van 15 december 1980 en artikel 30.3 van de Richtlijn 2004/38 van de Raad van de Europese Unie.
VIJFDE MIDDEL Schending van de artikelen 15.1 en 31.3 van de Richtlijn 2004/38 van de Raad van de Europese Unie.
Artikel 31.1 van de Richtlijn 2004/38 stelt dat tegen een beslissing tot weigering van verblijf een rechtsmiddel moet bestaan, dat voorziet in “de mogelijkheid van onderzoek van de wettigheid van het besluit, alsmede van de feiten en omstandigheden die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen”.
Huidig beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorziet niet in de mogelijkheid de feiten en omstandigheden te onderzoeken die de voorgenomen maatregel rechtvaardigen, gezien de Raad enkel uitspraak kan doen betreffende een eventuele “overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht” (artikel 39/2 § 2 van de Wet van 15 december 1980).
Huidig beroep is dan ook niet in overeenstemming te brengen met artikel 31.3 van de Richtlijn 2004/38.
Verzoekster dringt er dan ook op aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het Hof van Justitie via een prejudiciële vraag zou verzoeken na te gaan of het rechtsmiddel genoemd in artikel 39/2 § 2 al dan niet voldoet aan de eisen vermeld in artikel 31.3 van de Richtlijn 2004/38 van de Raad van de Europese Unie.
Zo huidig beroep niet voldoet aan de eisen van artikel 31.3 van de Richtlijn, schendt de bestreden beslissing artikel 31.3 jo. artikel 15.1 van de Richtlijn, in zoverre het gaat om een beslissing waartegen geen rechtsmiddel openstaat conform deze bepalingen van de Richtlijn.
OM DEZE REDENEN
BEHAGE HET DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWISTINGEN,
De bestreden beslissing te annuleren en de kosten ten laste te leggen van de tegenpartij.
Gedaan te Antwerpen, op……………….
Namens verzoekster,
haar raadsman,
In bijlage: